Op een doordeweekse middag ging er een bericht over de mobilofoon dat in de stadsbus een man de buschauffeur en de passagiers met een pistool bedreigd had. De man was zeer verward overgekomen.

 

Het voorval had plaatsgevonden in lijn 9. De man was uitgestapt nabij het ziekenhuis in het centrum van de stad waar ik werkte. Samen met mijn collega Jan was ik aan het surveilleren in de omgeving van het bewuste ziekenhuis. Direct gingen wij snel naar plaats waar de bus met inzittenden bij een halte stond. De hevig geëmotioneerde inzittenden werden gekalmeerd door collega’s die iets eerder ter plaatse waren. Van die collega’s kregen wij iets later te horen in welke richting de man was weggelopen.

Na het signalement te hebben ingeprent werden meerdere surveillanceauto’s ingezet op zoek naar de man die aan het opgegeven signalement voldeed.

Na ruim een uur besloten Jan en ik het zoekgebied te vergroten. We surveilleerden al iets meer naar de zuidkant van de stad. Op dat moment kregen wij van de meldkamer de melding dat de pompbediende van een benzinepomp in een dorpje onder de rook van de stad door een persoon was aangesproken. Deze man had hem verteld dat hij zijn vader overhoop zou schieten.

Met de vorige melding in het achterhoofd en er al vanuit gaande dat de verwarde man zich naar het dorp verplaatst had, reden wij zo snel mogelijk naar het tankstation.

Bij de benzinepomp troffen wij een jongeman van een jaar of 18. Hij vertelde ons dat een man naar de pomp was komen lopen en hem had gevraagd waar zijn vader was. De vader van de bediende werkte op dat moment bij het tankstation horende garagebedrijf. De bediende vertelde dit aan de man, waarop deze man had verteld dat hij zijn vader zou dood schieten. Terwijl hij dit zei, had hij een hand in de binnenzak van zijn jas gestopt en duwde iets naar voren. De jongen was er van overtuigd dat de man een pistool in zijn binnenzak had. De man was daarna direct naar de ingang van de garage gelopen en was naar binnen gegaan.

Jan en ik overlegden hoe wij de garage zouden benaderen. Het pand kende slechts een ingang waardoor wij naar binnen moesten. Met onze pistolen ter hand genomen betraden wij het pand. In het garagebedrijf zochten wij steeds naar obstakels waarachter wij dekking konden zoeken.

In de ruimte waar auto’s gerepareerd werden troffen wij niemand aan. Vanuit deze ruimte leidde een deur ons naar een magazijn/kantoorruimte. Vanuit de deuropening kregen wij het zicht op twee mannen die nabij een werkbank met elkaar aan het praten waren. Een man met een jas aan stond met de rug naar ons toe. Tegenover hem zagen wij een man gekleed in een blauwe overall.

Het gesprek tussen de beide heren had een gemoedelijke toon. De in overall geklede man merkte ons op, wenste ons een goedemiddag en vroeg of hij iets voor ons kon betekenen. Met de pistolen nog in onze handen liepen wij schoorvoetend in de richting van de beide heren. Met veel argwaan bekeken wij de man gekleed in de jas.

Op onze vraag aan ‘overall man’ of hij bedreigd werd door de andere persoon, ontkende hij dit. De man die tegenover hem stond was een goede bekende van hem. Wij maakten vervolgens kenbaar dat wij naar aanleiding van een melding van de zoon van de garagehouder naar het garagebedrijf waren gekomen.

Beide heren schoten in de lach, waarbij de man gekleed in een jas vanuit zijn binnenzak een grote harde slagersworst haalde. Hij verontschuldigde zich en was zich er niet bewust geweest dat de zoon zijn ‘geintje’ niet gesnapt had. De andere surveillanceauto’s konden onverrichte zake terug.

Een bijdrage van collega Wim Koekkoek, waarvoor de hartelijke dank.

Politiesites

Cookies

Wij gebruiken cookies om de website goed te laten werken en om volledig anoniem het gebruik van onze website te analyseren. Met uw toestemming plaatsen we ook cookies van derden. Door op "Accepteren" te klikken geeft u toestemming voor het plaatsen van deze derden cookies. Klikt u op "Weigeren", dan worden deze cookies niet geplaatst.