Ik werkte als wijkagent in een wijk van ongeveer 33.000 inwoners. Het was een jonge wijk. Daarmee bedoel ik dat er pas in de jaren 70 begonnen is met het bouwen van de wijk. Nu ongeveer 30 jaar later is de wijk ‘vol’. Er kunnen geen woningen meer bij.

Doordat er eigenlijk alleen maar nieuwbouwwoningen waren kwamen er ook veel jonge stellen en jonge gezinnen wonen. In de wijk werden 16 basisonderwijsscholen gebouwd. Een voortgezette onderwijsschool was in het begin nog niet nodig. Er woonden toen nagenoeg nog geen 12 jaar en oudere jeugd.

De ‘lagere’ scholen waren binnen de kortste keren overvol met leerlingen. Veel jonge stellen in een wijk levert dus veel schoolgaande kinderen op. De babyboom ging in een vlot tempo door. De ‘lagere’ scholen waren genoodzaakt om noodlokalen naast de bestaande bouw te plaatsen. Dat heeft zo een aantal jaren geduurd. De wijk wordt echter ouder. De stellen dus ook. Er werden steeds minder kinderen geboren. In het begin van de jaren 90 worden bij enkele scholen de noodgebouwen overbodig. Er kwam wel een grote behoefte aan voortgezette onderwijsscholen. De jeugd in de wijk werd immers ouder. Op dit moment staan er twee voortgezet onderwijsinstituten met elk een capaciteit van meer dan 1500 leerlingen.

Al die jonge gezinnen die er in het begin kwamen wonen hebben nu opgeleverd dat er 1/3 van de jeugd tussen de 0 en 18 jaar van de hele stad in een wijk woont. Een wijk met veel groepen jongeren dus.

Ik bewoog mij als wijkagent tussen al deze groepen. Ik probeerde zoveel mogelijk op een gemoedelijke manier met de jongeren om te gaan. Ik had een luisterend oor voor hun problemen. Samen met hen en hun woonomgeving heb ik geprobeerd de problemen op te lossen.

Wat mij persoonlijk in de wijk heel erg stoorde was het graffiti spuiten. Op mijn dienstfiets bewoog ik mij dagelijks door wijk. Doordat ik er ook nog woonde werd ik dan ook elke dag geconfronteerd met steeds weer andere tags en af toe een (ik moet eerlijk bekennen) een mooi uitziende piece.

Achter al de graffiti gaat anonimiteit schuil. Iedereen die zich er aan schuldig maakt weet dat het strafbaar is en kijkt wel uit om zich bekend te geven. De tags en pieces worden altijd stiekem geplaatst. Voor de politie is het heel lastig om achter de daders te komen.

Een onfortuinlijke graffitispuiter werd op een avond door een buurtbewoner betrapt. Met een zwarte spuitbus was hij bezig zijn tag op de muur van een schuurtje te plaatsen. Op het moment dat hij daarmee klaar was, sprak een buurtbewoner hem aan.

Er ontstond een discussie. John, de 14 jarige zoon van de buurtbewoner, en nog enkele anderen mengden zich in de discussie en na een poosje pakte de dader de biezen. Het toeval wilde dat een vrouwelijke collega, die ook in die buurt woonde, haar oor te luister legde bij het napratende groepje. Al snel hoorde zij dat John de dader wel kende. Ook hoorde zij dat John sprak over ‘zijn Black Book’ waar veel kunsttekeningen van zijn vrienden in stonden.

Een bijdrage van collega Wim Koekkoek, waarvoor de hartelijke dank.

De volgende dag kreeg ik de informatie over de gebeurtenis. Ik nodigde Fred, de dader, uit om over zijn graffitidaad te vertellen en samen met bureau Halt heeft Fred de door hem aangebrachte schade hersteld.

Wat mij echter bijzonder intrigeerde was het verhaal over een Black Book. Ik wist absoluut niet wat ik mij bij een Black Book moest voorstellen. Ik maakte met de ouders van John een afspraak om hen eens te bezoeken en het Black Book van John te bewonderen.

Op een middag kwam ik bij John thuis. Samen met pa, ma en John heb ik gezellig zitten babbelen. John vertelde mij dat hij zijn Black Book toevallig bij een van zijn vrienden lag. Hij legde mij wel uit dat een Black Book een soort poëziealbum is. Het is een schrift met blanco bladzijden en een stevige zwarte kaft. In dit schrift plaatsen vrienden en kennissen hun pieces en ondertekenen dit vaak met hun eigen tag. Helaas kon ik het Black Book die dag niet bewonderen.

Mijn interesse voor de mooie pieces bleef en na een paar weken bracht ik onverwacht een bezoek aan John. Vader en moeder waren ook weer thuis. Op mijn verzoek en op aandringen van zijn ouders haalde John zijn Black Book van zijn kamer.

In alle rust bladerde ik het Black Book door. De meest prachtige pieces stonden op de bladzijden. Heel vaak las ik onderaan een dergelijk piece een of twee tags. Meestal stond de tagname ‘Jeame’ er ook bij. Verbaasd vroeg ik aan John en zijn ouders of zij ook wisten wie er met ‘Jeame’ bedoeld werd. Ik wist namelijk dat de hele wijk en grote delen van de stad waren ondergekalkt met ‘Jeame’.

Als je er op lette kwam je die naam op de meest onmogelijke plekken tegen. Zowel de ouders als John konden geen antwoord geven op mijn vraag. John had voor de naam Jeame in zijn Black Book een logische verklaring. Zijn Black Book was de ronde gegaan onder zijn vrienden en was op de of andere manier bij ‘Jeame’ beland. Niemand kende Jeame. Het was immers een tagname en wie daar achter schuilt is anoniem. Na een beetje doorvragen over graffiti bleef John heel stellig dat hij nooit in het openbaar had gespoten. Het enige waar hij zich mee bezig hield was zijn Black Book.

Diezelfde avond belde de vader van John mij thuis op. Hij vertelde mij heel eerlijk dat hij en zijn vrouw vonden dat John zich tijdens mijn bezoek die middag heel anders gedroeg dan normaal. In het gesprek wat ze met hun drieën hadden biechtte John eerlijk op dat hij wel eens graffiti gespoten had. Ik vroeg aan de vader van John wat dan de tagname van hem was. ‘Jeame’ was het antwoord.

Vader wist toen nog niet dat zijn zoon een ‘hele grote’ was. Voorzichtig lichtte ik hem in over de omvang het ‘werkgebied’ van zijn zoon. Gaandeweg het gesprek werd mij duidelijk dat John deel uit maakte van een graffiticlan. Een grote groep vrienden was dagelijks bezig met graffiti.

Samen met de vader van John heb ik een plan gemaakt welke in overleg met het openbaar ministerie en met bureau Halt uitgevoerd kon worden.

John zou proberen zoveel mogelijk van zijn graffitivrienden een convenant te laten ondertekenen. Het convenant bestond uit het bekend maken van de gebruikte ‘TAGS’ en het opgeven van de personalia aan de vader van John. Als voorwaarde stond er in het convenant dat er geen strafvervolging zou plaats vinden mits de tagger mee zou helpen in een schoonmaakproject. Mocht men zich niet aan het convenant houden dan zou de vader van John de personalia aan mij (de politie) doorgeven.

In ongeveer twee weken tijd hadden John en zijn naaste vrienden een lijst van 35 jeugdige taggers verzameld. Met deze groep is er op een zaterdag keihard gewerkt om enkele muren van een voortgezet onderwijs school en van noodlokalen bij lagere scholen van graffiti te ontdoen.

Veel van de taggers kwam ik later nog vaak tegen in de wijk. De ontmoetingen waren altijd hartelijk en lange tijd bleef de wijk verder graffitivrij.

John heeft nooit meer graffiti gespoten.

Door gezamenlijke inspanningen van wijk/gemeente instellingen en mij is er nu de stichting ‘Graffiti Clean’ opgericht. Deze stichting zorgt ervoor dat graffiti na een melding zo spoedig mogelijk verwijderd wordt. Dit ontmoedigingsbeleid draagt er aan bij dat er aanzienlijk minder graffitioverlast in de wijk en de stad is.

Ivm privacy zijn de werkelijke namen van betrokkenen en tagnames verzonnen.

Politiesites