Over Infopolitie.nl

Infopolitie.nl is een website over de politie in Nederland. Het is geen website van de nationale politie, maar een particulier initiatief. Ga voor de officiële site van de Nederlandse politie naar www.politie.nl. Lees ook onze disclaimer.

(English | Russia | Oekranian)

1.4 Vergunningen

1.4.1 Algemeen

Naast de algemene vrijstellingen, genoemd in onderdeel A 1.3.2, kunnen er op grond van de WWM individuele vergunningen worden verleend voor het verrichten van specifieke verboden handelingen met wapens en/of munitie. Dergelijke vergunningen moeten worden aangevraagd bij de Minister van Veiligheid en Justitie, de korpschef of de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer (CDIU).

Soorten vergunningen

  • Een ontheffing is een individuele uitzondering op een wettelijk verbod.

    De Minister van Veiligheid en Justitie kan voor wapens of munitie, behorend tot een van de in artikel 4 WWM genoemde groepen van wapens en munitie dan wel voor één van de in artikel 13, tweede lid, WWM genoemde situaties, op daartoe strekkend verzoek, ontheffing verlenen van bij of krachtens de WWM vastgestelde voorschriften of verboden. Deze ontheffingsmogelijkheid wordt door de Minister van Veiligheid en Justitie terughoudend toegepast.

  • Een verlof is een vergunning voor een bepaalde handeling.

    Een verlof moet worden aangevraagd bij de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager. Een verlof is geldig voor een periode van maximaal één jaar, tenzij in deze circulaire anders is bepaald. Deze termijn kan worden verlengd, indien aan de vereisten voor de verlening daarvan wordt voldaan.

  • Een erkenning is een vergunning voor het bedrijfsmatig hanteren van wapens (verkoop, verhuur, reparatie, enz.). Een erkenning moet worden aangevraagd bij de korpschef in de plaats waar de aanvrager is gevestigd. Een erkenning is geldig voor maximaal vijf jaar en kan telkens met vijf jaar worden verlengd.

  • Een consent is een vergunning tot invoer, uitvoer of doorvoer. Een consent moet worden aangevraagd bij de CDIU en wordt ook afgegeven door de CDIU. Een consent is geldig voor eenmalige invoer of uitvoer en als het gaat om doorvoer, dan is het consent geldig voor zowel de in- als de uitvoer.

Verlenen, weigeren en intrekken van vergunningen

Wanneer de aanvraag van een vergunning in behandeling is genomen zal moeten worden beoordeeld of het gevraagde document kan worden verleend. De WWM kent een aantal algemene weigeringsgronden in artikel 7, eerste lid, WWM. Is voldaan aan één van deze gronden dan moet de vergunning worden geweigerd. Er is dus geen beleidsvrijheid voor het behandelend bestuursorgaan. Daarnaast kent de WWM de bijzondere weigeringsgronden die alleen gelden voor een bepaalde vergunning. Deze zijn niet opgenomen in één artikel maar zijn verspreid in de tekst van de WWM, afhankelijk van het soort vergunning, in verschillende artikelen te vinden.

Vergunningen kunnen onder beperkingen en nadere voorschriften worden verleend. Dit is geregeld in artikel 6 van de WWM.

Eenmaal verleende vergunningen kunnen worden ingetrokken. Intrekking geschiedt door het bestuursorgaan dat de vergunning heeft verleend of door de Minister van Veiligheid en Justitie. De WWM kent zowel algemene intrekkingsgronden die van toepassing zijn op alle soorten vergunningen, als bijzondere intrekkingsgronden die alleen van toepassing zijn op erkenningen. De algemene intrekkingsgronden, neergelegd in artikel 7, tweede lid, WWM, zijn facultatief. Dat wil zeggen dat er beleidsvrijheid bestaat ter zake van de te nemen beslissing. Dit geeft het bestuursorgaan de mogelijkheid de reeds verstrekte vergunning niet in te trekken maar te wijzigen. Dit kan op dezelfde gronden – genoemd in artikel 7, tweede lid – die voor intrekking gelden. De bijzondere intrekkingsgronden voor erkenningen, neergelegd in artikel 12 WWM, zijn eveneens facultatief.

Indien een verlof is ingetrokken dient het verlofdocument te worden ingeleverd bij de korpschef door wie het is verleend.

Documenten

In bijlage III bij de RWM zijn de bij die regeling vastgestelde modellen van erkenningen, verloven en consenten opgenomen. De ontheffing valt daar niet onder. Naast de modellen met voorgedrukte tekst, is er een blanco model WM 26, bruikbaar voor alle soorten verloven en geschikt voor geautomatiseerde verwerking. Het model WM 26 dient alle – voor het toepasselijke verlof geldende beperkingen en voorschriften alsmede de voor dat verlof geldende (overige) standaard teksten – te bevatten. Het model WM 27 dient als bijlage bij model WM 26 te worden gebruikt indien de ruimte op het model WM 26 ontoereikend is voor de vermelding van het aantal vuurwapens of de munitie waarop het verlof betrekking heeft.

Aangezien op een groot aantal plaatsen in de WWM staat aangegeven dat een aanvrager van een van de hiervoor genoemde documenten de door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde gegevens moet overleggen, zijn er tevens modellen vastgesteld voor de aanvraagformulieren. In deze formulieren zijn de vragen opgenomen die leiden tot de verstrekking van de vereiste gegevens.

Teneinde te bereiken dat er niet alleen ten aanzien van de inhoud maar ook ten aanzien van de uitvoering eenvormigheid ontstaat, wordt hierbij de aanwijzing gegeven dat de documenten op grond waarvan een bevoegdheid ontstaat (erkenningen en verloven) dienen te worden besteld bij de:

SDU Klantenservice
Postbus 20014
2500 EA Den Haag
Telefoon: (070) 378 98 80
Fax: (070) 378 97 83
Internet: http://www.sdu.nl" class="externe_link" href="http://www.sdu.nl">www.sdu.nl
E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

(de bestelnummers staan op het model vermeld).

De aanvraagformulieren kunnen eveneens bij de SDU worden besteld, maar mogen ook, mits zij voldoen aan het voorgeschreven model, worden besteld bij andere uitgeverijen of in eigen beheer worden vervaardigd.

Bij de aanvraag van de verschillende documenten is de aanvrager een vergoeding verschuldigd. De bedragen van deze vergoedingen zijn vastgesteld in artikel 50 van de RWM.

1.4.2 Ontheffingen

Een ontheffing is een individuele uitzondering op het wettelijke verbod om (onderdelen van) wapens of munitie te bezitten, en wordt toegekend aan personen die voldoen aan de in de WWM gestelde, en in deze circulaire uitgewerkte voorwaarden. In principe gaat het hierbij om categorie I en II wapens of categorie II munitie, maar in bepaalde uitzonderlijke gevallen kan ook voor categorie III en IV wapens of categorie III munitie ontheffing worden verleend. Een ontheffing moet worden aangevraagd bij de Minister van Veiligheid en Justitie. De minister kan een ontheffing verlenen op grond van artikel 4 van de WWM, bijvoorbeeld ten behoeve van re-enactment (het nabootsen van historische veldslagen), voor wapens die deel uitmaken van zogenaamd historisch rollend materieel (bijvoorbeeld legervoertuigen die deelnemen aan militaire parades, herdenkingen en optochten) en voor wapens ten behoeve van musea.

Voor categorie I wapens bevat artikel 13, tweede lid, van de WWM een aantal specifieke ontheffingsgronden. Hierbij gaat het om gebruik van wapens door de krijgsmacht, onderwijs ten behoeve van de politie en de overige openbare dienst en de doorvoer van wapens.

1.4.2.1 Verlening en verlenging

Voor het aanvragen van een ontheffing bestaat een speciaal formulier: ‘Verzoek om ontheffing ex artikel 4 van de Wet wapens en munitie’. Dit formulier is te downloaden van de website van het ministerie van Veiligheid en Justitie of aan te vragen bij het werkproces Wet wapens en munitie van de Dienst Justis, waar de aanvraag overigens ook ingediend moet worden. Ook een verlenging, uitbreiding of wijziging van een ontheffing dient schriftelijk aangevraagd te worden en wordt behandeld als een (nieuwe) aanvraag.

Nadat het aanvraagformulier met alle bijlagen (in tweevoud) is ontvangen, wordt een uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister opgevraagd. Daarna wordt de korpschef van de regiopolitie om inlichtingen en advies gevraagd. Voor dit advies bestaat een formulier: ‘Advies van de korpschef van de regiopolitie inzake een verzoek om een ontheffing op grond van de Wet wapens en munitie’. Dit formulier is als Worddocument aan alle regio's gestuurd, maar het is ook te downloaden van de website van het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Na ontvangst van het advies van de korpschef vindt de beoordeling van het verzoek plaats. De aanvraag wordt in principe binnen de geldende Awb-termijn van acht weken afgehandeld. Indien nodig kan deze termijn met zes weken worden verlengd.

Zoals dat ook geldt bij de aanvraag van een verlof dient de aanvrager van een ontheffing een ‘redelijk belang’ te hebben en mag er ten aanzien van de aanvrager geen ‘vrees voor misbruik’ bestaan.

Enkele voorbeelden van bezigheden waarvoor ontheffingen kunnen worden verleend zijn: Het houden van een verzameling vuurwapens of munitie van categorie II, het deelnemen aan re-enactment uitvoeringen, het completeren van historisch materieel, het beoefenen van de schietsportdiscipline 'miniatuur kanon' of het geven van saluutschoten met een kanon bij ceremoniële gelegenheden en herdenkingstochten.

Wanneer de aanvrager aan alle eisen voldoet en de onkostenvergoeding voor de behandeling van de aanvraag is betaald, wordt een ontheffing verleend, die vervolgens door tussenkomst van de korpschef wordt uitgereikt. De korpschef registreert deze ontheffingen. Indien in de ontheffing als voorwaarde is opgenomen dat de ontheffing alleen geldig is in combinatie met een verlof, dan dient de korpschef aan de ontheffinghouder een verlof te verstrekken waarop de individuele wapens dienen te worden vermeld. Deze voorwaarde wordt vaak gesteld vanwege het feit dat er op die manier beter toezicht mogelijk is op de ontheffinghouder en het aantal wapens beter in de hand gehouden kan worden. Een ontheffing is in principe maximaal vijf jaren geldig.

1.4.2.2 Weigering en intrekking

Indien de aanvrager niet aan alle eisen voldoet (bijvoorbeeld géén redelijk belang heeft, of als er vrees voor misbruik bestaat) dan wordt de aanvrager meegedeeld dat de minister voornemens is zijn aanvraag af te wijzen. De aanvrager krijgt vervolgens de gelegenheid om zijn zienswijze op dit voornemen kenbaar te maken. Pas hierna wordt een definitieve beslissing genomen op de aanvraag.

Een reeds verleende ontheffing kan ook weer worden ingetrokken door de minister wanneer daar aanleiding voor is. Dit gebeurt meestal op advies van de korpschef, bijvoorbeeld nadat er onregelmatigheden zijn geconstateerd. Indien het verlof van de betrokkene wordt ingetrokken door de korpschef dan zal de (bijbehorende) ontheffing ook worden ingetrokken door de minister.

Bij zowel een weigering als een intrekking van een ontheffing bestaat er de mogelijkheid om tegen die beslissing een bezwaarschrift in te dienen. Een dergelijk bezwaar wordt ingediend bij de instantie die het besluit heeft genomen, in dit geval de Minister van Veiligheid en Justitie.

1.4.3 Erkenningen

Degene die wapens of munitie wil vervaardigen, transformeren of in de uitoefening van een bedrijf wil uitwisselen, verhuren of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen mag dat alleen wanneer hij over een erkenning beschikt.

De belangrijkste bepalingen omtrent de verlening van erkenningen zijn te vinden in de artikelen 9 tot en met 12 van de WWM en de artikelen 8 tot en met 17 van de RWM.

Naast de eisen van zedelijk gedrag, gesteld aan de aanvrager of, indien deze een bedrijf uitoefent, de beheerder in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder a, van de WWM, geldt ingevolge de artikelen 7 en 10, eerste lid, onder c, WWM dat er geen vrees voor misbruik mag bestaan, dan wel er geen aanwijzingen mogen zijn dat aan de aanvrager of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet (langer) kan worden toevertrouwd. Beide aspecten worden nader toegelicht en uitgewerkt in onderdeel B 1.

Voor een aantal specifieke gevallen is vrijstelling verleend van het verbod van artikel 9, eerste lid, van de WWM. In die gevallen behoeft derhalve niet over een erkenning te worden beschikt. Deze gevallen zijn omschreven in paragraaf 9 van de RWM. Daarnaast wordt in de artikelen 10, 11, tweede lid en 12, eerste en tiende lid, van de RWM, ook nog een aantal vrijstellingen gegeven van enkele specifieke eisen.

Voor de erkenninghouder of beheerder die (slechts) handelt in lucht-, gas-, of veerdrukwapens van categorie IV, patroonmagazijnen als bedoeld in artikel 18, onder g, RWM, stroomstootwapens als bedoeld in artikel 21 van de RWM (de zogenaamde ‘veeprikkers’) of de in artikel 22 RWM vrijgestelde noodsignaalmiddelen met bijbehorende munitie, gelden tenslotte afwijkende registereisen.

Wapens van categorie I

Artikel 13, eerste lid, van de WWM, verbiedt het vervaardigen, transformeren, voor derden herstellen, overdragen, voorhanden hebben, dragen, vervoeren, doen binnenkomen of doen uitgaan van wapens van categorie I.

De wet maakt, in artikel 3a, eerste lid, WWM, een uitzondering op dit verbod, namelijk voor de krijgsmacht en voor personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn. Die uitzonderingsbepaling ziet echter niet op derden – bijvoorbeeld wapenhandelaren – die de in artikel 13, eerste lid, genoemde handelingen verrichten met wapens van categorie I met het oog op gebruik door de krijgsmacht.

Om aan deze behoefte tegemoet te kunnen komen wordt de Minister van Veiligheid en Justitie in het tweede lid van artikel 13 de mogelijkheid gegeven om, onverminderd het bepaalde in artikel 9 WWM, bij wijze van uitzondering ontheffing te verlenen van een of meer verboden genoemd in het eerste lid van artikel 13, met het oog op gebruik door de krijgsmacht. Zodoende kan – bijvoorbeeld – ontheffing worden verleend aan een wapenhandelaar om wapens van categorie I te doen binnenkomen teneinde deze over te dragen aan de krijgsmacht.

Voorts wordt op basis van artikel 4, eerste lid, onder e, WWM een uitzondering voor airsoftapparaten gecreëerd, op het algemene verbod dat voor Categorie I wapens geldt. Zie in dit kader ook onderdeel B2.9. van deze Circulaire.

Behoudens deze bijzondere situaties is het door derden verrichten van erkenningplichtige handelingen met betrekking tot wapens van categorie I niet toegestaan. Naast de – door de Minister van Veiligheid en Justitie te verlenen – ontheffing is ook een erkenning van de korpschef nodig.

Wapens en munitie van categorie II

Als regel zal de erkenning slechts gelden voor wapens en munitie van categorie III. De erkenning zal eerst tevens betrekking kunnen hebben op vuurwapens en munitie van categorie II, indien de aanvrager (erkenninghouder) gedurende een onafgebroken periode van drie jaar – zonder wanklank -heeft gehandeld in vuurwapens van categorie III. In de tweede plaats zal de aanvrager aan de hand van verifieerbaar schriftelijk bewijsmateriaal onomstotelijk aan moeten kunnen tonen dat hij beschikt over concrete en structurele afzetmogelijkheden van dergelijke wapens of munitie aan bevoegden zoals de overheid, verzamelaars, re-enacters, bezitters van historisch militair materieel en rekwisietenbedrijven. Tenslotte dient de bedrijfsruimte van de erkende in dat geval te voldoen aan de gekwalificeerde veiligheidseisen, opgenomen in bijlage IV bij de RWM.

De Tweede Kamer heeft in het vergaderjaar 1996–1997 een motie (de motie Houda) aangenomen. Hierin wordt de regering verzocht een uitdrukkelijk verbod uit te vaardigen voor de productie van anti-personeel mijnen. Hoewel de Wet wapens en munitie niet de mogelijkheid biedt voor een uitdrukkelijk formeel verbod, biedt het wel de mogelijkheid tot een feitelijk verbod op de productie van anti-personeel mijnen, namelijk door uitdrukkelijk het vervaardigen van deze mijnen uit te sluiten van erkenningen ter zake van categorie II wapens.

Aan de kamer is toegezegd dat alle nieuwe erkenningen voor de categorie II uitdrukkelijk de uitsluiting van het vervaardigen van anti-personeel mijnen zullen bevatten. Hierbij zijn voor de duidelijkheid inbegrepen de erkenningen die (thans) tot bepaalde wapens of explosieven zijn beperkt.

Vervoer

Ingevolge het bepaalde in het vierde lid van artikel 9 WWM, kan de korpschef die de erkenning verleent of heeft verleend, indien een redelijk belang dit vordert, bepalen dat de erkenning tevens inhoudt vergunning tot het vervoer van wapens en munitie. Er behoeft derhalve geen afzonderlijk document met het oog op het vervoer te worden verleend. De toestemming van de korpschef om wapens en munitie te vervoeren, kan op verzoek en indien een redelijk belang daartoe aanleiding geeft, worden opgenomen op het erkenningsdocument (model WM 16 in bijlage III bij de RWM).

Bovendien wordt in artikel 46, eerste lid RWM, aan personen in dienst van houders van een erkenning, vrijstelling verleend van het verbod om wapens en munitie te vervoeren.

1.4.3.1 Verlening en verlenging

Erkenningen worden verleend door de korpschef in de politieregio waar het bedrijf, waar de activiteiten worden uitgeoefend, is gevestigd en hebben een geldigheidsduur van ten hoogste vijf jaar. De geldigheidsduur van een erkenning kan telkens met ten hoogste vijf jaar worden verlengd.

Erkenningen kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden (zie artikel 6 van de WWM).

Voor de beperkingen en voorschriften, die aan een erkenning zullen worden verbonden, wordt verwezen naar het model van de erkenning, zoals opgenomen in bijlage III bij de RWM (model WM 16).

De aanvraag voor verlening en verlenging van een erkenning dient te worden ingediend bij de korpschef in de politieregio waar het bedrijf – waar de activiteiten worden uitgeoefend – is gevestigd. Een verzoek tot verlenging kan mondeling worden gedaan onder gelijktijdige overlegging van de noodzakelijke documenten. Bij een aanvraag voor een nieuwe erkenning dient gebruik te worden gemaakt van het voorgeschreven aanvraagformulier.

De korpschef verifieert de gegevens op het aanvraagformulier en onderzoekt (artikel 7, 10 en 12 WWM):

  • of er reden is om te vrezen dat van de erkenning dan wel van de wapens of de munitie misbruik zal worden gemaakt;

  • of de aanvrager of de beheerder het onder zich hebben van wapens en munitie kan worden toevertrouwd;

  • of de aanvrager of de beheerder voldoet aan de door de Minister van Veiligheid en Justitie vastgestelde eisen met betrekking tot leeftijd, zedelijk gedrag en vakbekwaamheid;

  • of de handelingen en de soorten en aantallen wapens en munitie, die op het aanvraagformulier zijn vermeld, naar het oordeel van de korpschef verenigbaar zijn met de activiteiten welke gewoonlijk in de vestiging (zullen) worden verricht;

  • of en op welke wijze wordt voldaan aan de in artikel 11 RWM gestelde veiligheidseisen;

  • of er (overige) feiten of omstandigheden zijn die op de beslissing omtrent de verlening, dan wel op de aan de erkenning te verbinden voorschriften of beperkingen, van invloed kunnen zijn.

  • of er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die verlening in de weg staan.

Het verdient daarbij aandacht dat de erkenning slechts betrekking heeft op het daarin genoemde onderdeel van de onderneming. Iedere vestiging dient te beschikken over een afzonderlijke beheerder. Derhalve is het niet mogelijk dat twee of meer erkenningen worden verleend op naam van dezelfde beheerder.

Bij verlenging onderzoekt de korpschef tevens:

  • of de erkenninghouder de juiste gegevens heeft verstrekt;

  • of er aanwijzingen zijn dat aan de erkenninghouder of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd;

  • of er sprake is van misbruik van de erkenning dan wel van wapens of munitie;

  • of nog altijd wordt voldaan aan de vereisten voor verlening;

  • of de aan de erkenning verbonden beperkingen of voorschriften in acht zijn genomen;

  • of de erkenninghouder het register heeft bijgehouden op de wijze als in artikel 12 RWM is voorgeschreven;

  • of de erkenninghouder, dan wel de beheerder bij verkrijging van wapens van categorie III van verlofhouders respectievelijk jachtaktehouders, consequent aan hen ontvangstbewijzen, zoals bedoeld in artikel 13 RWM (voor model zie bijlage III bij de RWM), heeft verstrekt;

  • of in de eerder bestaande situatie wijzigingen zijn opgetreden die van invloed kunnen zijn op de verlenging van de erkenning respectievelijk de daaraan verbonden voorschriften en/of beperkingen;

  • of de houder van een erkenning gedurende een periode van tenminste één jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht;

  • of er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die verlenging in de weg staan.

De korpschef dient van de verlening, verlenging, wijziging of intrekking van een erkenning kennis te geven aan de korpschef van de politieregio waar de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder woont. Deze kennisgeving geschiedt door het toezenden van een kopie van de verleende erkenning, respectievelijk het intrekkingsbesluit. Tegen beslissingen van de korpschef staat administratief beroep open bij de Minister van Veiligheid en Justitie (artikel 34 WWM).

Van de verlenging van de geldigheidsduur van een erkenning wordt aantekening gemaakt in het eerder aan de betrokkene uitgereikte document. Zo nodig, bijvoorbeeld indien het document is beschadigd of onleesbaar is geworden, kan bij de verlenging van de geldigheidsduur ook een nieuw document worden uitgereikt.

1.4.3.2 Weigering en intrekking

Een erkenning kan door de korpschef (zie artikel 7, tweede lid en artikel 12 WWM) of door de Minister van Veiligheid en Justitie (zie artikel 7, tweede lid, WWM) worden ingetrokken.

Naast de algemene weigerings- en intrekkingsgronden van artikel 7 WWM zijn specifiek voor erkenningen in de artikelen 10 en 12 van de WWM respectievelijk de imperatieve (dwingende) weigeringsgronden en de facultatieve intrekkingsgronden opgesomd.

Op grond van deze bepalingen kan een erkenning worden ingetrokken indien:

  • de erkende bij de aanvraag onjuiste gegevens heeft verstrekt;

  • er aanwijzingen zijn dat aan de erkenninghouder of de beheerder het onder zich hebben van wapens of munitie niet langer kan worden toevertrouwd (zie hiervoor onder ‘vrees voor misbruik’);

  • er sprake is van misbruik van de erkenning dan wel van wapens of munitie;

  • niet meer wordt voldaan aan de vereisten voor verlening;

  • een aan de erkenning verbonden beperking of voorschrift niet in acht is genomen;

  • er sprake is van dringende, aan het algemeen belang ontleende, redenen die aan verlenging in de weg staan;

  • de erkende het register niet heeft bijgehouden op de wijze als in artikel 12 RWM is voorgeschreven;

  • de houder van een erkenning gedurende een periode van tenminste één jaar de handelingen waarop de erkenning betrekking heeft, niet heeft verricht.

1.4.3.3 Register

De wijze waarop door de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder een register moet worden bijgehouden is beschreven in artikel 12 van de RWM. Het in dit artikel genoemde register kan zowel handmatig als langs geautomatiseerde weg worden bijgehouden. Waar in het achtste lid van dit artikel wordt gesproken over het maandelijks inzenden van een kopie van het register, zal dat bij een handmatig bijgehouden register kunnen bestaan uit een fotokopie en bij een geautomatiseerd register kan dit gebeuren middels het inzenden van (een uitdraai van) de desbetreffende registers.

Er behoeft, tenzij de korpschef zulks nodig acht, geen kopie te worden ingezonden van de registratie betreffende in bewaring genomen of ter reparatie ingenomen wapens en munitie.

Immers, de in bewaring genomen of ter reparatie ingenomen wapens en munitie komen doorgaans na kortere of langere tijd weer in handen van degene van wie de voorwerpen afkomstig zijn. Zo dit in bijzondere gevallen niet gebeurt, bij voorbeeld omdat de eigenaar na verloop van tijd tot verkoop aan de wapenhandelaar besluit, dan zal het wapen naar de inkomende registratie moeten worden overgeboekt.

In het geval waarin de bewaargever evenwel het wapen vanuit de bewaring aan een andere wapenhandelaar of aan een particulier verkoopt, dan zullen in de laatste kolom van deze registratie alle gegevens betreffende de koper, inclusief diens bevoegdheid om voorhanden te hebben en om te verkrijgen, door de wapenhandelaar moeten worden vermeld.

1.4.3.4 Vervoer door of namens de erkenninghouder

Indien de korpschef een bewijs van erkenning afgeeft of heeft afgegeven (zie model WM 16 in bijlage III bij de RWM), kan de korpschef, indien een redelijk belang daartoe aanleiding geeft, bepalen dat de erkenning tevens inhoudt een vergunning tot vervoer van wapens en munitie. Indien daartoe in bijzondere gevallen naar het oordeel van de korpschef aanleiding bestaat, kan de vergunning tot vervoer onder beperkingen worden verleend. Deze beperkingen dienen op het bewijs van erkenning te worden vermeld.

Indien de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder zijn wapens zelf vervoert, heeft hij uiteraard de op het bewijs van erkenning vermelde vergunning tot vervoer bij zich. Indien hij echter, zoals regelmatig zal voorkomen, deze wapens wil doen vervoeren door anderen, bijvoorbeeld ondergeschikten of beroepsvervoerders, dan dienen ook zij door het overleggen van een (geleide-)document hun bevoegdheid om die wapens op dat moment voorhanden te mogen houden, te kunnen aantonen. Als (geleide-)document dient dan een verlof tot vervoer te worden gebruikt (zie hieromtrent de vrijstellingen in de artikelen 45 en 46 RWM en hetgeen onder B 3.3, c en d is vermeld).

Door de erkende af te geven verloven tot vervoer

Indien de in een bewijs van erkenning genoemde beheerder zijn wapens wil doen vervoeren door anderen, bijvoorbeeld ondergeschikten of beroepsvervoerders, dan dienen ook zij, door het overleggen van een (geleide-)document hun bevoegdheid om die wapens op dat moment voorhanden te mogen houden, te kunnen aantonen. Als (geleide-)document dient dan een verlof tot vervoer te worden gebruikt. Het zou echter ondoenlijk zijn indien de beheerder voor genoemde gevallen telkens een verlof tot vervoer zou moeten aanvragen bij de korpschef. Om die reden kan de korpschef aan een in het bewijs van erkenning genoemde beheerder, op wiens naleving van de wapenwettelijke voorschriften niets valt aan te merken, een aantal verloven tot vervoer verstrekken, waarop slechts de volgende gegevens zijn ingevuld:

  • het registratienummer;

  • de gegevens van de beheerder aan wie het document is afgegeven (deze kan een bedrijfsstempel gebruiken), alsmede diens handtekening;

  • de datum van afgifte en de handtekening en het stempel van de korpschef.

De indiening van een schriftelijk aanvraagformulier is hiervoor niet nodig.

De beheerder dient telkens wanneer hij een verlof uitschrijft, een kopie van het door hem ingevulde en afgegeven verlof te zenden aan de korpschef, die hierdoor kan controleren of alle door hem afgegeven (blanco) verloven op juiste wijze zijn gebruikt. Voor een nadere controle op het juiste gebruik kan zo nodig ook het register van de beheerder worden bekeken, waarin de uitschrijving van de wapens moet zijn vermeld.

Formulieren

Aanvraagformulier:

in mondeling overleg met de korpschef.

Verlofdocument:

model WM 12 in bijlage III bij de RWM.

Doorlopend verlof tot vervoer ten behoeve van werknemers van erkenninghouders

Indien sprake is van een werknemer in vaste dienst bij een erkenninghouder die regelmatig wapens vervoert ten behoeve van zijn werkgever, dan kan de korpschef, indien ten aanzien van de betrokken persoon geen vrees voor misbruik (zie B 1) bestaat, overgaan tot het afgeven van een doorlopend verlof tot vervoer. Het verlof wordt afgegeven aan de in het bewijs van erkenning genoemde beheerder, terwijl onder ‘daadwerkelijk vervoer’ de gegevens van de werknemer worden vermeld.

In plaats van een exacte omschrijving van de wapens, wordt op het document vermeld dat het geldig is ten aanzien van de wapens en/of munitie die behoren tot de handelsvoorraad van de persoon aan wie het verlof is afgegeven, terwijl tevens het tijdvak waarbinnen het verlof geldig is (maximaal een jaar), wordt vermeld. Tenslotte wordt het document in de rechterbovenhoek voorzien van de pasfoto van de persoon die als vervoerder optreedt, welke pasfoto door de politie wordt afgestempeld.

Formulieren

Aanvraagformulier:

in mondeling overleg met de korpschef.

Verlofdocument:

model WM 12 in bijlage III bij de RWM.

1.4.4 Verloven

Een verlof is een individuele uitzondering op het wettelijke verbod om wapens van (meestal) categorie III voorhanden te hebben, te vervoeren en/of te dragen. In artikel 28, tweede lid, van de WWM is bepaald dat een verlof wordt verleend indien:

  1. een redelijk belang de verlening van het verlof vordert;

  2. de aanvrager geen gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen

  3. de aanvrager tenminste de leeftijd van achttien jaren heeft bereikt, behoudens de afwijking voor leden van een schietvereniging.

Ad. a.

In de onderdelen B 2 t/m B 6 van deze Circulaire is geregeld in welke gevallen en onder welke voorwaarden er sprake is van een ‘redelijk belang’ als bedoeld in artikel 28 van de WWM. Daarnaast kan het voorkomen dat een verlof wordt gevraagd terwijl er geen sprake is van één van de genoemde gevallen. De beoordeling van dergelijke aanvragen is zo zeer afhankelijk van de omstandigheden van het geval dat hiervoor geen algemene regels zijn te geven. Deze aanvragen staan ter beoordeling van de korpschef die – met name als de aanvraag betrekking heeft op vuurwapens – ter zake een restrictief beleid zal moeten voeren. Zo nodig kan met het Ministerie van Veiligheid en Justitie overlegd worden.

Ad. b.

De verlening van een verlof dient te worden geweigerd indien de aanvrager een gevaar voor zichzelf, de openbare orde of veiligheid kan vormen. In de WWM wordt een dergelijke situatie meestal aangeduid met de termen ‘vrees voor misbruik’ en ‘het niet (langer) kunnen toevertrouwen van wapens of munitie’. In onderdeel B 1 van deze Circulaire worden deze begrippen nader uitgewerkt.

Ad. c.

De aanvrager van een verlof dient tenminste 18 jaar te zijn. Van de minimumleeftijdsgrens kan door de korpschef slechts worden afgeweken ten aanzien van serieuze, veelbelovende wedstrijdschutters. Dat sprake is van een serieuze, veelbelovende wedstrijdschutter dient te blijken uit een schriftelijke verklaring van het bestuur van de Koninklijke Nederlandse Schutters Associatie (KNSA).

1.4.4.1 Verlening en verlenging

In artikel 28, eerste lid, van de WWM is bepaald dat een verlof – uitsluitend voor wapens en munitie behorende tot categorie III – wordt verleend door de korpschef. De korpschef kan dus nooit een verlof verlenen voor wapens van categorie I of II. Indien er bij de korpschef een aanvraag wordt ingediend voor het verkrijgen van een verlof voor een wapen van categorie I of II dan dient de korpschef deze aanvraag onverwijld door te sturen naar het ministerie van Veiligheid en Justitie, onder gelijktijdige mededeling daarvan aan de afzender3.

Indien de Minister van Veiligheid en Justitie overgaat tot de verlening van de gevraagde ontheffing dan wordt in veel gevallen in de ontheffing opgenomen dat de ontheffing slechts geldig is voorzover de wapens en/of munitie staan vermeld op een verlof tot het voorhanden hebben. Deze voorwaarde wordt vaak gesteld vanwege het feit, dat er op die manier beter toezicht mogelijk is op de ontheffinghouder en het aantal wapens beter in de hand gehouden kan worden. Omdat de bevoegdheid tot het voorhanden hebben wordt ontleend aan de verleende ontheffing is geen sprake van strijdigheid met het bepaalde in het eerste lid van artikel 28 van de WWM. De bijschrijving van de ontheffingplichtige wapens op een verlof is een combinatie van documenten zoals bedoeld in artikel 40 van de WWM. Omwille van de duidelijkheid dient voor deze wapens op het verlof een verwijzing te worden opgenomen waaruit blijkt dat de bevoegdheid tot het voorhanden hebben wordt ontleend aan de bijbehorende ontheffing.

Aanvraagformulieren

Voor het aanvragen van een verlof wordt gebruik gemaakt van de daartoe bestemde formulieren zoals die zijn opgenomen in Bijlage III bij de RWM en het in deze circulaire onder C4 opgenomen inlichtingenformulier.

Juridische status gebruikte formulieren

Het invullen van het aanvraagformulier is verplicht op basis van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de WWM. Het niet (volledig) invullen van het aanvraagformulier leidt tot een afwijzing van de aanvraag op basis van ditzelfde artikel.

Het inlichtingenformulier vindt zijn grondslag in art. 4:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aanvrager is, naast de documenten bedoeld in artikel 7 van de WWM, ook gehouden om op grond van artikel 4:2 van de Awb de (aanvullende) gegevens en bescheiden te verschaffen die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn.4

Om de vraag of er sprake is van vrees voor misbruik op basis van de in deel B, onderdeel 1, van deze circulaire vastgelegde risicofactoren, landelijk te kunnen toetsen, dient het inlichtingenformulier te worden ingevuld. Wanneer de aanvrager niet de gegevens verschaft die nodig zijn voor de beoordeling, maar waarover hij wel kan beschikken, kan de aanvraag worden afgewezen of niet verder worden behandeld. Zie in dit kader artikel 4:5, eerste lid, onderdeel c, van de Awb. Wanneer op enig moment blijkt dat een aanvrager het formulier onjuist heeft ingevuld, kan worden besloten tot een intrekking van het verlof of afwijzing van het verzoek op basis van twijfel omtrent de betrouwbaarheid.

Beoordeling van de aanvraag

Na ontvangst van het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier worden de volgende stappen doorlopen om te bepalen of de aanvrager in aanmerking komt voor de verlening van het gevraagde verlof:

  1. De aanvrager doet zijn aanvraag in persoon en legitimeert zich daarbij. Controleer de identiteit en leeftijd van de aanvrager;

  2. Controleer of de aanvrager daadwerkelijk woonachtig is en ingeschreven staat op het opgegeven adres;

  3. Controleer in het bijzijn van de aanvrager of het aanvraagformulier en het inlichtingenformulier volledig zijn ingevuld en of de aanvraag compleet is. Indien dit niet het geval is dan wordt de aanvrager in de gelegenheid gesteld om zijn aanvraag aan te vullen.5

  4. Ga na of de aanvrager een redelijk belang heeft bij de verlening van een verlof (zie hiervoor de in onderdeel B 2 tot en met B 6 opgenomen criteria)

  5. Controleer of het voorhanden hebben van (vuur)wapens en/of munitie aan de aanvrager kan worden toevertrouwd (zie onderdeel B 1). Hiertoe dienen minimaal de volgende bronnen geraadpleegd te worden:

    • Justitieel Documentatieregister;

    • De interne politieregisters;

    • CIE – registers (voor zover mogelijk).

    • Open bronnen.

    De volgende bronnen kunnen worden geraadpleegd indien daartoe aanleiding bestaat (deze opsomming is niet limitatief): de wijkagent, de referenten, de aanvrager zelf in een nader gesprek.

  6. Bespreek met de aanvrager of de vragen op het inlichtingenformulier goed door de aanvrager konden worden ingevuld. Kondig aan dat, als daar aanleiding toe is, een vervolggesprek onderdeel kan uitmaken van de procedure en dat, los daarvan, referenten kunnen worden geraadpleegd.

  7. Controleer – middels een bezoek aan de locatie waar het wapen en/of de munitie opgeslagen zal gaan worden – of de aanvrager beschikt over een opbergplaats die voldoet aan de eisen voor het opbergen van wapens en/of munitie (zie B 8). Het verdient aanbeveling om deze controle – in verband met de mogelijk daaruit voor de aanvrager voortvloeiende consequenties, zoals de aanschaf van een wapenkluis of de aanpassing van een bergplaats – pas uit te voeren als vast staat dat het verlof kan worden verleend

Verlenging van een verlof

Voor de verlenging van een verlof hoeft geen aanvraagformulier te worden ingevuld tenzij ten aanzien van de persoon van de aanvrager of ten aanzien van zijn omstandigheden zodanige wijzigingen hebben plaatsgevonden dat het indienen van een nieuw aanvraagformulier onontbeerlijk is. De aanvraag van de verlenging van een verlof kan derhalve eventueel ook mondeling worden gedaan onder gelijktijdige overlegging van alle gegevens die noodzakelijk zijn voor het beoordelen van de verlengingsaanvraag. Bij die beoordeling wordt bezien of de aanvrager nog steeds een redelijk belang heeft bij de verlening van een verlof en of er ten aanzien van de aanvrager geen sprake is van een situatie van ‘vrees voor misbruik’. Daartoe is het invullen van het inlichtingenformulier verlenging, in deze circulaire opgenomen onder C5, wel noodzakelijk.

Overeenkomstige toepassing beoordeling jachtaktes

Op basis van het bepaalde in paragraaf 1.2 van het Bijzonder deel (B) van de circulaire, onder ‘relatie met flora- en faunawet’, vindt de beoordeling van het vrees voor misbruik-criterium ten behoeve van de verstrekking en verlenging van jachtaktes ook plaats conform het hierboven omschreven beoordelingsproces.

Verstrekking jachtaktes aan in het buitenland woonachtige aanvragers

Ten aanzien van jachtaktehouders met een woonplaats buiten Nederland, gelden de volgende afwijkende voorwaarden. Punt 7. van het hierboven uiteengezette aanvraagproces geldt niet.

Voor zover het betreft de aanvraag van een akte op basis van art. 45 van de Flora en Faunawet, geldt eveneens het bepaalde onder 1, 2 en 3 niet. Bij punt 6 geldt als ‘aanvrager’ de Nederlandse aktehouder die de buitenlander uitnodigt.

Voor zover het de aanvraag van een akte op basis van art. 38 van de Flora- en Faunawet betreft, geschied het aanvragen van de akte bij de regio-eenheid Den Haag. De korpschef kan tevens het bepaalde onder 1, 2, 3 en 6 achterwegen laten, indien hij ook zonder het doorlopen van deze stappen het vrees voor misbruikcriterium op andere wijze afdoende kan toetsen. Zo kan het verifiëren dat de aanvrager in het land waarin hij woonachtig is op betrouwbaarheid is getoetst aanleiding zijn genoemde stappen in de procedure achterwege te laten. Ook kan de korpschef bepalen dat de uitvoering van deze stappen in de procedure door andere regio’s kan geschieden.

1.4.4.2 Verlof tot voorhanden hebben van wapens en munitie

Voor alle van de in het bijzondere deel genoemde gevallen waarin mogelijk een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en munitie kan worden verleend, is bepaald welk aanvraagformulier dient te worden gebruikt en welk verlofdocument dient te worden uitgereikt. Dit is aangegeven bij de desbetreffende paragraaf. In bepaalde gevallen is voor de feitelijke verkrijging van een wapen, waarvoor een verlof tot het voorhanden hebben is verleend, een verlof tot verkrijging noodzakelijk (zie onderdeel A 1.4.4.5).

Een verlof tot het voorhanden hebben van wapens en/of munitie kan onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van de modellen WM 26 en WM 27 van de bijlage III van de RWM bevat het verlof de standaardtekst, beperkingen en voorschriften daaronder begrepen, zoals vermeld op het toepasselijke model van bedoelde bijlage en wordt die tekst aangevuld met de conform de inhoud van deze circulaire te vermelden beperkingen en voorschriften. Indien de bijzondere omstandigheden van het geval daartoe aanleiding geven kan de korpschef gemotiveerd extra beperkingen of voorschriften aan het verlof verbinden.

Op bepaalde modellen van het verlof tot het voorhanden hebben zijn ruimtes opengelaten waaruit, indien deze zijn afgestempeld en geparafeerd door de korpschef, blijkt dat tevens een verlof tot voorhanden hebben van de bijbehorende munitie is verleend of dat een (doorlopend) verlof tot vervoer is verleend. Voorzover nodig is steeds vermeld in welke gevallen deze verloven in de regel kunnen worden verleend.

1.4.4.3 Verlof tot dragen van wapens en munitie

Op grond van artikel 27, eerste lid, van de WWM is het verboden om een wapen van de categorieën II, III en IV te dragen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat dit verbod niet van toepassing is op personen die:

  • houder zijn van een verlof als bedoeld in artikel 29, voor zover dit verlof reikt; of

  • op grond van artikel 26, tweede lid, voor de jacht6 bestemde wapens voorhanden mogen hebben, voor wat betreft het terrein waar zij tot de jacht gerechtigd zijn.

In het derde en vierde lid van artikel 27 is tenslotte bepaald dat de minister bij regeling vrijstelling kan verlenen van het verbod van het eerste lid voor optochten, studenten-weerbaarheidsverenigingen (categorieën III en IV), ceremoniële wapens, kermissen en sportbeoefening (categorie IV). De minister heeft van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en heeft in de paragrafen 12 en 13 van de RWM een aantal vrijstellingen opgenomen voor het dragen van wapens van de categorie III of IV.

In artikel 29 van de WWM is bepaald dat de instantie die een verlof tot het voorhanden hebben van een wapen van categorie III verleent (de korpschef) kan bepalen dat – indien een redelijk belang dit vordert – het verlof tevens betrekking heeft op het dragen van dit wapen.

Een redelijk belang voor het dragen van een wapen zal echter niet gauw aanwezig zijn. In uitzonderlijke gevallen kan bijvoorbeeld een draagverlof worden verleend ten behoeve van zelfverdediging (zie de voorwaarden in onderdeel B 6).

1.4.4.4 Verlof tot vervoer van wapens en munitie

De belangrijkste bepalingen omtrent vergunningen tot vervoer en de verlening van verloven tot vervoer van wapens en munitie van de categorieën II en III zijn te vinden in de artikelen 22 en 24 WWM.

Verloven tot vervoer worden verstrekt door de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager. Op grond van artikel 9, vierde lid, WWM, kan de korpschef die de erkenning verleent of heeft verleend bepalen dat de erkenning tevens inhoudt vergunning tot vervoer van wapens en munitie van de categorieën II en III.

Vergunningen en verloven tot vervoer kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van de modellen WM 26 en WM 27 bevat het verlof tot vervoer de voorschriften en de overige tekst van het in bijlage III bij de RWM opgenomen model WM 12 (Verlof tot vervoer).

De vergunning en het verlof tot vervoer moeten onder bepaalde omstandigheden worden gewijzigd of ingetrokken door de Minister van Veiligheid en Justitie of het orgaan dat de vergunning of verlof heeft verleend (zie artikel 7, tweede lid, WWM).

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft voor een aantal gevallen vrijstellingen van het verbod om een wapen of munitie te vervoeren verleend. Deze gevallen zijn omschreven in de paragrafen 5, 10, en 17 en de artikelen 4, 21, 22, 24, 39, 40 en 41, tweede lid, van de RWM.

De personen die in opdracht van de houder van de vergunning of het verlof tot vervoer zijn belast met het feitelijk transport van de wapens of munitie, worden altijd in de vergunning of het verlof vermeld. Zie ook de vrijstellingen op dit punt in de artikelen 45 en 46 van de RWM.

Personen die bevoegd zijn vuurwapens en munitie te dragen, is het ook toegestaan die wapens en munitie te vervoeren. Bevoegd tot het dragen van vuurwapens en munitie zijn onder meer personen die een jachtakte als bedoeld in de Flora- en faunawet bezitten, wat betreft de voor de jacht bestemde wapens en munitie van categorie III, die in de jachtakte zijn omschreven (artikel 27, tweede lid, aanhef en onder b, WWM). De wet beperkt deze bevoegdheid tot dragen tot het jachtveld, het terrein waar de jachtaktehouders tot de jacht dan wel beheer en schadebestrijding gerechtigd zijn. Voor het overige dienen de wapens te worden vervoerd in de zin van de WWM (derhalve zodanig verpakt dat ze niet voor onmiddellijk gebruik kunnen worden aangewend). Zie hieromtrent de vrijstelling in artikel 44 RWM.

Incidenteel verlof tot vervoer ten behoeve van particulieren

De aanvrager dient zelf bevoegd te zijn om het wapen waarop de aanvraag betrekking heeft, voorhanden te hebben. Ook de ontvanger moet uiteraard bevoegd zijn tot het voorhanden hebben van dit wapen. Het kan echter voorkomen dat degene die daadwerkelijk het vervoer verricht, in beginsel die bevoegdheid niet bezit. Deze persoon of dit bedrijf (b.v. een vervoersbedrijf) verkrijgt de bevoegdheid om het wapen of de munitie te vervoeren via de vrijstellingen in artikel 45 en 46 RWM, respectievelijk door het aan de aanvrager verleende verlof tot vervoer bij zich te dragen. Dit verlof vermeldt de naam van de vervoerder (indien het een particulier betreft) of de naam van het bedrijf waarvoor hij werkzaam is (indien het beroepsvervoer betreft). Na afloop van het vervoer dient de vervoerder het verlof toe te zenden aan de korpschefs in de politieregio waar het verlof is afgegeven. Indien het verlof niet wordt gebruikt, dient de aanvrager het verlof terug te zenden aan de korpschef in de politieregio waar het verlof is afgegeven.

Formulieren

Aanvraagformulier:

model WM 11 in bijlage III bij de RWM.

Verlofdocument:

model WM 12 in bijlage III bij de RWM.

Doorlopend verlof tot vervoer gekoppeld aan het verlof tot voorhanden hebben

Indien de korpschef een verlof tot het voorhanden hebben afgeeft, zal de betrokkene soms ook over een doorlopend verlof tot vervoer moeten beschikken. Dit doorlopend verlof tot vervoer kan worden verleend door op het verlof tot het voorhanden hebben de daartoe opengelaten ruimte af te stempelen en te paraferen. Zo nodig kunnen de op het vervoer betrekking hebbende beperkingen en voorschriften, die standaard op het document staan vermeld, worden aangepast aan de omstandigheden van het geval.

1.4.4.5 Verlof tot verkrijging van wapens en munitie

De bepalingen betreffende de verlening van verloven tot verkrijging van wapens en munitie van categorie III zijn te vinden in de artikelen 31 en 32 WWM.

Verloven tot verkrijging van wapens en munitie worden verstrekt door die korpschef die ook het document afgeeft op grond waarvan betrokkene bevoegd zal zijn het wapen voorhanden te hebben. In de regel zal dit de korpschef in de woon- of verblijfplaats van de aanvrager zijn. Dit geldt ook in het geval dat een verlof tot verkrijging van een verenigingsvuurwapen wordt aangevraagd: deze aanvraag moet worden ingediend in de politieregio waar de aanvrager, te weten de schietvereniging, haar vaste accommodatie dan wel haar statutaire zetel heeft, ook al woont de feitelijke beheerder van de verenigingswapens elders.

Heeft de aanvrager evenwel geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland dan is de korpschef in de plaats waar de aanvrager (tijdelijk) verblijft bevoegd. Aan de aanvrager die geen vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, maar die wel ingezetene is van één van de andere lidstaten van de Europese Unie, kan slechts een verlof tot verkrijging van wapens, ten aanzien waarvan het voorhanden hebben in de betrokken lidstaat aan een vergunning is onderworpen, worden verleend, wanneer aan de aanvrager een consent is verleend tot het doen uitgaan van de wapens (zie onderdeel A 1.4.5.1).

Bij een overdracht van wapens en munitie met het oogmerk om deze onmiddellijk Nederland te doen uitgaan, zijn de artikelen 31 en 32 WWM niet van toepassing. Voor deze gevallen geldt de in artikel 20, tweede lid, WWM vermelde consentregeling.

Verloven tot verkrijging kunnen onder beperkingen worden verleend, terwijl daaraan tevens voorschriften kunnen worden verbonden. Indien gebruik wordt gemaakt van het model WM25 bevat het verlof tot verkrijging de gegevens zoals vermeld op het in bijlage III bij de RWM opgenomen model WM 2 (Verlof tot verkrijging van een (vuur)wapen/onderdeel/hulpstuk).

De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in artikel 27 RWM vrijstelling verleend van het verbod van artikel 31, vierde lid WWM, voor het overdragen aan personen die de leeftijd van achttien jaar nog niet hebben bereikt van degens, lucht-, gas- en veerdrukwapens en kruisbogen, één en ander met het oog op in verenigingsverband beoefende sporten.

Ingevolge het bepaalde in artikel 13 van de RWM dient de beheerder, als bedoeld in artikel 10 WWM, bij de verkrijging van wapens van categorie III van personen die een verlof tot het voorhanden hebben als bedoeld in artikel 28 van de wet bezitten, dan wel op grond van artikel 26, tweede lid, van de wet voor de jacht bestemde wapens voorhanden mogen hebben, een ontvangstbewijs, overeenkomstig het in bijlage III bij deze wet opgenomen model, te verstrekken.

Een verlof tot verkrijging is, zo volgt uit artikel 32, eerste lid, van de WWM, alleen nodig voor houders van een verlof tot het voorhanden hebben alsmede voor houders van een jachtakte (zie de laatste alinea van dit onderdeel voor de verkrijging van wapens door personen die op andere gronden bevoegd zijn om een wapen van categorie III voorhanden te hebben).

Personen die een aanvraag indienen voor een verlof tot het voorhanden hebben van een vuurwapen, zullen op het aanvraagformulier dienen aan te geven welk specifiek wapen (met vermelding van het nummer) zij wensen aan te schaffen, alsmede uit handen van wie zij het wapen zullen ontvangen. Dit brengt met zich mee dat, indien positief op de aanvraag wordt beslist, de korpschef voor het desbetreffende wapen een verlof tot het voorhanden hebben afgeeft of dit wapen bijschrijft op een reeds eerder aan betrokkene verleend verlof, terwijl hij tevens aan betrokkene een verlof tot verkrijging verstrekt. Een kopie van dit verlof tot verkrijging (waarop vermeld: KOPIE) zendt hij ter informatie aan de korpschef in de politieregio waar het wapen tot het moment van de overdracht staat geregistreerd.

De persoon die het wapen overdraagt, dient het verlof tot verkrijging in ontvangst te nemen. Teneinde zeker te zijn dat het wapen aan de rechthebbende wordt overgedragen zal hij ook de identiteit van de verkrijger moeten vaststellen en het soort en nummer van diens identiteitsbewijs alsmede de datum van afgifte daarvan en de afgevende instantie, op het verlof tot verkrijging moeten noteren. Daarnaast zal hij zich ervan moeten vergewissen dat het desbetreffende wapen op een aan betrokkene verleend verlof of verleende jachtakte staat bijgeschreven. Eerst na deze handelingen en controles te hebben uitgevoerd, mag hij het wapen overdragen. Vervolgens moet hij het ingenomen verlof tot verkrijging toezenden aan de korpschef in de gemeente waar het wapen tot het moment van de overdracht stond geregistreerd. De verkrijger dient binnen twee weken na de verkrijging het wapen ter controle aan te bieden aan de korpschef die hem het verlof of de jachtakte heeft verleend, zodat deze kan verifiëren of de op het verlof of de jachtakte vermelde gegevens overeenstemmen met de gegevens van het wapen.

Aan personen die geen houder zijn van een verlof tot het voorhanden hebben of een jachtakte, maar die uit anderen hoofde gerechtigd zijn wapens of munitie voorhanden te hebben, behoeft, alvorens zij tot de aanschaf van dat wapen over mogen gaan, geen verlof tot verkrijging als bedoeld in artikel 31, derde lid, van de WWM, te worden verleend. Het kan hier bijvoorbeeld gaan om personen die over een erkenning beschikken, als ook om – bij ministeriële regeling aangewezen – personen in overheidsdienst zoals genoemd in artikel 3a van de WWM. Alvorens aan één van de hier bedoelde personen een wapen over te dragen, zal diens bevoegdheid tot voorhanden hebben van dat wapen wel deugdelijk moeten worden vastgesteld. Die bevoegdheid kan bijvoorbeeld blijken uit een bewijs van erkenning of uit het bezit van een ‘voorschrift’ dat is afgegeven door het boven de persoon in overheidsdienst gestelde gezag.

Formulier

Verlofdocument:

model WM 2 in bijlage III bij de RWM.

1.4.4.6 Weigering en intrekking

Een verlof wordt geweigerd indien niet wordt voldaan aan de voorwaarden zoals genoemd in artikel 28, tweede lid, van de WWM (zie onderdeel A 1.4.4.1) of indien er sprake is van één van de weigeringsgronden zoals genoemd in artikel 7, eerste lid, van de WWM. De meest frequent toegepaste weigeringsgronden zijn de onder sub b en c genoemde situaties van ‘het niet kunnen toevertrouwen ‘ en ‘vrees voor misbruik’ (zie onderdeel B 1 voor de nadere invulling van deze begrippen).

Een verlof kan worden ingetrokken indien er sprake is van één van de in artikel 7, tweede lid, van de WWM genoemde situaties. Hetgeen hierboven is opgemerkt met betrekking tot het verschil tussen sub b en sub c is eveneens van toepassing op de intrekkingsgronden in het voornoemde artikel.

Een besluit tot intrekking of weigering dient zorgvuldig tot stand te komen en dient te voldoen aan de eisen die de Algemene wet bestuursrecht aan een besluit stelt. Tegen beslissingen tot weigering of intrekking van een verlof staat, op grond van artikel 34 van de WWM, beroep open bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Tegen beslissingen van de minister die in beroep zijn genomen staat beroep open bij de sector bestuursrecht van de rechtbank en tegen de beslissingen van de rechtbank staat vervolgens beroep open bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. In dit kader heeft de Raad van State geoordeeld dat de korpschef geen beroep kan instellen tegen een besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie7. De door de korpschef op grond van de WWM uitgeoefende bevoegdheden worden immers uitgeoefend onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Veiligheid en Justitie.

1.4.4.7 Melding aan verenigingsbestuur bij intrekking of weigering

Voorzover het redelijk belang voor de verlening van een verlof wordt ontleend aan het lidmaatschap van een schietvereniging, dient de korpschef het bestuur van de KNSA terstond in kennis te stellen van het feit dat een verlof is geweigerd, niet is verlengd of is ingetrokken. Deze melding dient te bestaan uit:

  • De naam, het adres en de geboortedatum van de betrokkene;

  • KNSA licentienummer;

  • datum van het besluit en of er sprake is van een intrekking of weigering van een verlof

Indien het redelijk belang voor de verlening van een verlof wordt ontleend aan het lidmaatschap van een ander soort vereniging8, dient de korpschef het bestuur van de desbetreffende vereniging terstond in kennis te stellen van het feit dat een verlof is geweigerd of ingetrokken. In verband met de privacy van betrokkene dient in de melding te worden volstaan met het vermelden van:

  • De naam, het adres en de geboortedatum van de betrokkene;

  • lidmaatschapnummer van de desbetreffende vereniging;

  • datum van het besluit en of er sprake is van een intrekking of weigering van een verlof.

1.4.5 In- en uitvoer van wapens en munitie

De in- en uitvoer van wapens en munitie is in Nederland onder meer geregeld in de WWM en in de Algemene Douanewet (ADW) en het daarbij behorende Besluit strategische goederen. Het kan dan ook voorkomen dat voor de uitvoer van wapens en/of munitie zowel een vergunning op grond van de WWM (consent) als een vergunning op grond van de ADW benodigd is. Omgekeerd kan het in bepaalde gevallen ook voorkomen dat voor de uitvoer van een bepaald wapen geen consent en geen uitvoervergunning nodig is. In de onderdelen A 1.4.5.1 en 1.4.5.2 is kort weergegeven hoe bepaald kan worden of er op grond van de WWM en/of de ADW een vergunning nodig is voor de in-, uit- of doorvoer van wapens en/of munitie. In onderdeel A 1.4.5.3 wordt tot slot nader ingegaan op het systeem van de Europese vuurwapenpas.

1.4.5.1 In- en uitvoer op grond van de Wet wapens en munitie

Met betrekking tot in- en uitvoer onderscheidt de WWM drie soorten handelingen, namelijk: ‘doen binnenkomen’, ‘doen uitgaan’ en ‘doorvoer’. In artikel 1, onder 7 en 8, van de WWM zijn deze begrippen als volgt gedefinieerd:

Binnenkomen en uitgaan:

‘het binnen het grondgebied van Nederland komen, respectievelijk het verlaten van het grondgebied van Nederland

Doorvoer:

‘binnenkomen gevolgd door uitgaan’

Wapens van categorie I

Op grond van de WWM is het onder meer verboden om een wapen van categorie I voorhanden te hebben, te vervoeren, te doen binnenkomen of te doen uitgaan. De verlening van een consent voor categorie I wapens is niet mogelijk9. Voor de in- uit- of doorvoer van categorie I wapens kan de Ministerie van Veiligheid en Justitie ontheffing verlenen op grond van artikel 4 respectievelijk artikel 13, tweede lid van de WWM.

Een ontheffing voor de in-, uit- of doorvoer van wapens van categorie I dient te worden aangevraagd bij het Ministerie van Veiligheid en Justitie. Meer informatie over de aanvraag van een ontheffing kunt u vinden op de website van het Ministerie van Veiligheid en Justitie: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/venj of u kunt telefonisch contact opnemen met het werkproces wet wapens en munitie, telefoonnummer: (070) 370 90 70.

Wapens en munitie van categorie II en III

Op grond van artikel 14 van de Wet wapens en munitie (WWM) is het verboden om zonder consent een wapen of munitie van de categorieën II en III te doen binnenkomen (invoer) of te doen uitgaan (uitvoer), alsmede om de bij binnenkomst aangegeven bestemming van zulke wapens of munitie zonder consent te wijzigen.

Voor het doen binnenkomen en doen uitgaan van wapens en munitie van categorie II en III is dus in principe altijd een consent vereist. Geen consent is vereist indien één van de vrijstellingen zoals opgenomen in de RWM op de wapens en/of munitie van toepassing is.

De verlening van consenten vindt plaats door de Centrale Dienst voor In- en Uitvoer te Groningen (CDIU). Voor het aanvragen van een consent wordt gebruik gemaakt van een speciaal aanvraagformulier. Deze aanvraagformulieren zijn verkrijgbaar bij de CDIU of de korpschef van de politieregio. Voor vragen en informatie over de consentverlening kunt u contact opnemen met de CDIU:

Belastingdienst/Douane Groningen/CDIU
Postbus 30003
9700 RD Groningen
Tel: (088) 151 21 22
Fax: (088) 151 31 82
E-mail: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken.

Wapens van categorie IV

Voor de in- uit- of doorvoer van wapens van categorie IV is geen vergunning benodigd op grond van de WWM.

Invoer van vrijgestelde wapens

Voor het invoeren van wapens die in het land van verzending vergunningplichtig zijn maar in Nederland niet kan bij de CDIU een verklaring worden verkregen dat het desbetreffende wapen in Nederland niet vergunningplichtig is. Met deze verklaring kan dan meestal in het land van verzending een uitvoervergunning worden verkregen.

1.4.5.2 In- en uitvoer op grond van de Algemene Douanewet

In het kader van het Nederlandse wapenexportbeleid mogen strategische goederen slechts worden uit- of doorgevoerd indien voor deze goederen een uitvoervergunning is verleend. Onder strategische goederen worden verstaan militaire goederen en goederen voor tweeërlei gebruik (goederen die zowel een civiele als militaire toepassing hebben, ook wel 'dual use' goederen genoemd). In het Uitvoerbesluit strategische goederen staat in een bijlage nauwkeurig omschreven welke goederen als strategisch moeten worden aangemerkt. Een groot deel van de (vuur)wapens waarop de Wet wapens en munitie van toepassing is, is tevens aangemerkt als militaire goederen.

De uitvoer van strategische goederen – zonder vergunning van de Staatssecretaris van Economische Zaken – is verboden. Een persoon of een bedrijf dat voornemens is goederen uit of door te voeren die worden genoemd in het Besluit strategische goederen, dient bij de CDIU een uitvoervergunning aan te vragen (voor het adres zie onderdeel B 1.4.5.1).

Om inzicht te verschaffen op welke wijze het Nederlandse export- en doorvoersysteem van strategische goederen is geregeld en welke goederen onder controle staan, heeft de CDIU in samenwerking met het Ministerie van Economische Zaken het Handboek Strategische Goederen opgesteld. Dit handboek is aan te vragen bij de CDIU. Het handboek is ook te raadplegen via de internetsite: http://www.rijksoverheid.nl/documenten-en-publicaties/rapporten/2006/10/23/handboek-strategische-goederen.html

1.4.5.3 Europese vuurwapenpas

Ingevolge het bepaalde in artikel 28a van de WWM wordt aan personen die gerechtigd zijn tot het voorhanden hebben van een vuurwapen op hun verzoek een Europese vuurwapenpas uitgereikt, waarop de door de aanvrager voorhanden gehouden wapens kunnen worden aangetekend.

De invoering van de Europese vuurwapenpas is een gevolg van de toepassing van de Richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (91/477EEG). Met de invoering van de pas werd beoogd van legale wapenbezitters, waaronder jagers en sportschutters door de EU-landen met hun wapens te vergemakkelijken en anderzijds de binnenlandse controle op die legale wapenbezitters zoals jagers en sportschutters, die afkomstig zijn uit één van de andere bij de EU aangesloten landen, te vergroten.

In verband met dit laatste wordt aan de tamelijk ruime vrijstelling10 van de consent- en verlofplicht voor (EU)jagers en sportschutters thans de voorwaarde van het bezit van de Europese vuurwapenpas verbonden. Het opnemen in de pas van een visum door de Nederlandse autoriteiten – in het geval van niet in Nederland ingezetenen – wordt uitdrukkelijk niet verlangd; het enkele bezit van een door een land van de EU afgegeven vuurwapenpas is voldoende. Voor jagers en sportschutters die niet in het bezit van een dergelijke pas zijn, geldt de vrijstelling dan ook niet; zij zullen in voorkomende gevallen een consent dienen aan te vragen. Als bijlage C3 is bij deze circulaire de invulinstructie voor de Europese vuurwapenpas opgenomen.

Zowel artikel 28a van de WWM Wet wapens en munitie (WWM) als voornoemde de Europese richtlijn van 18 juni 1991 waar dit wetsartikel op gebaseerd is spreken alléén van vuurwapens. Het is dus op grond van artikel 28a, eerste lid, van de WWM niet mogelijk een Europese vuurwapenpas af te geven voor een luchtdrukwapen. Het gaat immers om een vuurwapenpas.


Opmerkelijk

Bromfietser erg vaak de fout in

Een 16-jarige bromfietser uit Doetinchem heeft voor een totaalbedrag van 630 euro aan boetes gekregen in zijn woonplaats. Agenten betrapten hem op wel heel veel overtredingen.

Lees meer...

Politiesites

Sponsors