Over Infopolitie.nl

Infopolitie.nl is een website over de politie in Nederland. Het is geen website van de nationale politie, maar een particulier initiatief. Ga voor de officiële site van de Nederlandse politie naar www.politie.nl. Lees ook onze disclaimer.

(English | Russia | Oekranian)

1.3 Verboden, vrijstellingen en uitzonderingen

1.3.1 Verboden

In de wapenwetgeving zijn de diverse vormen van omgang met wapens en munitie in beginsel verboden. Zie bijvoorbeeld de artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste en vijfde lid, 27, eerste lid, en 31, eerste en vierde lid, WWM. De verboden hebben betrekking op de specifiek in de betreffende artikelen genoemde categorieën van wapens en munitie.

De volgende soorten handelingen kunnen worden onderscheiden:

  • Het dragen, dat wil zeggen: het onverpakt bij zich hebben van een wapen op de openbare weg of ander voor het publiek toegankelijke plaatsen. Onder dragen wordt niet alleen het aan/op het lichaam dragen van een wapen bedoeld (bijvoorbeeld door middel van een holster), maar ook het onmiddellijk binnen bereik hebben van een wapen. Als bijvoorbeeld de bestuurder van een auto een wapen onverpakt in zijn afgesloten achterbak meevoert dan valt dit ook onder de definitie van ‘dragen’2;

  • Het voorhanden hebben, dat wil zeggen: op een bepaalde (privé)plaats over de wapens kunnen beschikken. Als bijvoorbeeld een vergunninghouder thuis een wapen in een kluis bewaart en hij zich vijftig kilometer van zijn huis bevindt, dan heeft hij dat wapen nog steeds voorhanden. Hij kan immers wanneer hij maar wil teruggaan naar zijn huis om het te pakken. Voorhanden hebben betekent dus niet dat men een wapen letterlijk binnen handbereik moet hebben;

  • Het overdragen, dat wil zeggen: het aan een ander doen overgaan van de feitelijke macht. Hieronder valt zowel het doen toekomen (laten bezorgen) als het feitelijk ter hand stellen daarvan. Ook het tijdelijk afstaan van een wapen is volgens de memorie van toelichting overdragen in de zin van artikel 1 van de WWM. Niet elk tijdelijk afstaan wordt echter aangemerkt als ‘overdragen’. Zo zijn in deze circulaire bijvoorbeeld een aantal uitzonderingen opgenomen voor het schieten met (verenigings)vuurwapens en het schieten binnen het kader van de schietsportcentra. Zolang dit schieten gebeurt onder het directe toezicht van een daartoe bevoegd persoon is er geen sprake van ‘overdragen’ in de zin van de WWM;

  • Het vervoeren, dat wil zeggen: het deugdelijk verpakt (bijvoorbeeld in een foedraal, tas of koffer) transporteren van wapens en munitie;

  • Het doen binnenkomen en uitgaan, dat wil zeggen: het invoeren en uitvoeren (naar een EU-lidstaat) van wapens en munitie;

  • Het doorvoeren, dat wil zeggen: het invoeren van wapens en munitie gevolgd door het uitvoeren naar een andere EU-lidstaat;

  • Het vervaardigen, het transformeren, of in de uitoefening van een bedrijf uitwisselen of anderszins ter beschikking stellen, herstellen, beproeven of verhandelen van wapens.

Opgemerkt wordt dat sprake is van transformeren van vuurwapens indien een handeling wordt uitgevoerd zoals beschreven in bijlage II van de RWM of voor zover de werking of de uitwerking van het wapen of de munitie wordt gewijzigd of de omvang van de onderdelen van wezenlijkeaard worden gewijzigd. Daarbij kan het om zowel machinale als niet-machinale bewerking gaan. Het wisselen van onderdelen of het aanbrengen van optische hulpmiddelen valt niet onder het begrip transformeren.

1.3.2 Vrijstellingen

Van sommige van de genoemde verboden handelingen is door de Minister van Veiligheid en Justitie vrijstelling verleend. Een vrijstelling is een algemene uitzondering op een wettelijk verbod. Een vrijstelling hoeft niet te worden aangevraagd (in tegenstelling tot een vergunning; zie onderdeel A 1.4) en geldt voor bepaalde groepen van personen of wapens en munitie. Deze vrijstellingen zijn te vinden in de paragrafen 9 tot en met 15 en 17 van de RWM. Een vrijstelling kan alleen worden verleend indien de WWM daarvoor een wettelijke basis biedt. In de vrijstellingsbepalingen is omschreven in welke gevallen en onder welke voorwaarden een bepaald verbod niet geldt.

Voorbeelden van vrijstellingen zijn:

  • vrijstelling erkenningsplicht (artikel 14 e.v. RWM);

  • vrijstelling airsoftapparaten voor gebruik in sportverenigingsverband (artikel 17a tot en met g RWM);

  • vrijstelling voor wapens die het karakter dragen van oudheden (artikel 18 RWM);

  • vrijstelling voor stroomstootwapens en noodsignaalmiddelen (artikel 21 e.v. RWM);

  • vrijstelling voor wapens van categorie IV (artikel 26 e.v. RWM);

  • vrijstelling voor ceremoniële wapens, optochten en studentenweerbaarheidsverenigingen (artikel 30 e.v. RWM);

  • Vrijstelling voor schepen en luchtvaartuigen (artikel 33 e.v. RWM);

  • Vrijstellingen voor sportschutters en jagers voor buitenlandse activiteiten (artikel 39 e.v. RWM);

  • Vrijstellingen voor vervoer (artikel 44 e.v. RWM).

1.3.3 Uitzonderingen

In de wet zijn uitzonderingen opgenomen met betrekking tot een aantal van de genoemde verboden handelingen. Sommige uitzonderingen betreffen (nagenoeg) alle verboden handelingen, andere hebben slechts betrekking op een enkele nader aangegeven handeling. In het artikel van de WWM waarin de uitzondering is opgenomen, is bepaald op welke verboden handeling de uitzondering betrekking heeft. Genoemd worden:

  • Uitzondering op het verbod wapens of munitie van de categorie III voorhanden te hebben voor personen die houder zijn van een verlof of een jachtakte (artikel 26, tweede lid WWM);

  • Uitzondering op het verbod een wapen van categorie III te dragen voor personen die houder zijn van een daartoe strekkend verlof of een jachtakte (artikel 27, tweede lid, WWM);

  • Uitzondering op het verbod een wapen of munitie van categorieën II en III over te dragen voor personen die gerechtigd zijn het wapen of de munitie voorhanden te hebben (artikel 31, tweede lid, WWM).

Een belangrijke uitzondering heeft de wetgever daarnaast gemaakt voor de krijgsmacht, de politie, de buitengewone opsporingsambtenaren en de ‘overige openbare dienst’. Deze uitzonderingen zijn neergelegd in artikel 3a van de WWM, en worden hieronder nader toegelicht in onderdeel A 1.3.4.

1.3.4 Overheidsfunctionarissen

In artikel 3a van de WWM is bepaald welke verbodsbepalingen uit de WWM niet van toepassing zijn op de krijgsmacht, de politie, de buitengewoon opsporingsambtenaren en ander openbare diensten. In alle gevallen geldt dat de uitzonderingsbepaling alleen van toepassing is voor zover de desbetreffende minister(s) dit bij regeling heeft/hebben bepaald. Op grond van het vierde lid van artikel 3a van de WWM kan in een dergelijke regeling worden bepaald dat de uitzonderingsbepaling ook van toepassing is op niet-Nederlandse krijgsmacht, politie of openbare dienst. In de hieronder volgende onderdelen zal per groep een korte toelichting worden gegeven.

1.3.4.1 Krijgsmacht

Krachtens artikel 3a, eerste lid, van de WWM zijn de artikelen 9, eerste lid, 13, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26 eerste lid, en 27 eerste lid, niet van toepassing op de krijgsmacht. Zij zijn evenmin van toepassing op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover Onze Minister van Defensie dit bij regeling heeft bepaald.

In de ‘Regeling wapens en munitie krijgsmachtpersoneel’ (Stcrt. 1996, 250) heeft de Minister van Defensie deze uitzonderingsbepaling nader uitgewerkt. Naast Nederlands en niet-Nederlands krijgsmachtpersoneel in werkelijke dienst ziet deze regeling ook toe op burgerambtenaren in dienst van de Minister van Defensie die belast zijn met de uitoefening van een beveiligings- of bewakingstaak, werkzaam zijn bij een materieelbeproevings- of onderhoudsafdeling dan wel werkzaam zijn bij een schietinrichting of vervoersdienst van wapens en munitie.

Ook civiele contractspartijen, voor zover deze door de Minister van Defensie zijn belast met het vervoer van wapens en munitie, vallen onder de werking van deze regeling. Zo mogen transportbedrijven wapens en munitie van de categorie II en III vervoeren, voorhanden hebben, doen binnenkomen of uitgaan voorzover de opdracht daartoe, door de Minister van Defensie, blijkt uit door hen mee te voeren documenten.

1.3.4.2 Politie

Krachtens artikel 3a, tweede lid, van de WWM zijn de artikelen 9, eerste lid, 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26 eerste lid, en 27 eerste lid, niet van toepassing op de politie. Deze artikelen zijn evenmin van toepassing op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover de Minister van Veiligheid en Justitie en de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties dit bij regeling hebben bepaald.

In de ‘Bewapeningsregeling Politie’ (Stcrt. 1997, 246) hebben de ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties deze uitzonderingsbepaling nader uitgewerkt. De bewapeningsregeling geeft uitsluitend de bevoegdheid tot het voorhanden hebben en dragen van wapens en munitie die zijn opgenomen in de officiële bewapening van de politie. Het voorhanden hebben van niet in de regeling genoemde wapens – bijvoorbeeld ten behoeve van onderwijs en instructiedoeleinden – is op grond van deze regeling niet toegestaan. Wel bestaat de mogelijkheid om (voor individuele gevallen), op grond van de artikelen 4 en 13 van de WWM, een ontheffing aan te vragen bij de Minister van Veiligheid en Justitie. Tevens kan de Minister van Veiligheid en Justitie besluiten om hiervoor een vrijstelling te verlenen.

1.3.4.3 Buitengewoon opsporingsambtenaren

Krachtens artikel 3a, derde lid, WWM, zijn de verboden van de artikelen 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27, eerste lid, niet van toepassing op de overige openbare dienst en personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, daaronder begrepen buitengewoon opsporingsambtenaren, voor zover de Minister van Veiligheid en Justitie dit bij regeling heeft bepaald.

In de artikelen 4 en 5 van de RWM heeft de Minister van Veiligheid en Justitie het bepaalde in artikel 22, eerste lid, 26, eerste lid en 27, eerste lid WWM, niet van toepassing verklaard op buitengewoon opsporingsambtenaren, voorzover hen door de Minister van Veiligheid en Justitie het voorschrift is gegeven om gedurende hun dienstuitoefening een wapen of munitie voorhanden te hebben. Het voorschrift is slechts van kracht gedurende de periode dat de buitengewoon opsporingsambtenaar (boa) beschikt over een titel van opsporingsbevoegdheid (al dan niet voor het gehele land). De Minister van Veiligheid en Justitie kan aan een voorschrift voorwaarden en beperkingen verbinden met betrekking tot de veiligheid, de opslag, de bekwaamheid in de omgang met wapens en munitie en het vervoer van wapens of munitie (zie artikel 5, tweede lid, RWM).

Voor wat betreft de bewapening van de buitengewoon opsporingsambtenaar is er aansluiting gezocht bij de bewapening van de politie. De bewapening kan echter ook bestaan uit andere wapens voor zover de Minister van Veiligheid en Justitie dit noodzakelijk acht voor een goede en verantwoorde uitoefening van de aan de boa opgedragen taak. Vuurwapens en munitie van buitengewoon opsporingsambtenaren worden aangeschaft en afgevoerd via het Korps Landelijke Politie Diensten (KLPD).

Meer informatie (waaronder de relevante wet- en regelgeving) over buitengewoon opsporingsambtenaren kunt u vinden op de website van het ministerie van Veiligheid en Justitie: http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/venj" class="externe_link" href="http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/venj">http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/venj

1.3.4.4 Overige overheidsfunctionarissen

Krachtens artikel 3a, derde lid, van de WWM zijn de artikelen 14, eerste lid, 22, eerste lid, 26, eerste lid, en 27, eerste lid, WWM, niet van toepassing op de overige openbare dienst en op personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, voor zover de Minister van Veiligheid en Justitie dit bij regeling heeft bepaald.

Een dergelijke regeling wordt door de Minister van Veiligheid en Justitie slechts vastgesteld, indien de noodzaak tot bewapening voor het desbetreffende onderdeel van de openbare dienst of voor de desbetreffende groep personen die daarvan deel uitmaken of daarvoor werkzaam zijn, aannemelijk is gemaakt en hun bekwaamheid in de omgang met wapens is gebleken. Bij de beoordeling van de noodzaak gelden de criteria zoals die hiervoor zijn gegeven voor de buitengewoon opsporingsambtenaren.

In artikel 7 RWM wordt vrijstelling verleend van het verbod van artikel 14, eerste lid, 22, eerste lid en artikel 26, eerste lid WWM, aan personen die werkzaam zijn bij het Nederlands Forensisch Instituut of de Dienst Logistiek van het Korps Landelijke Politiediensten, voorzover het doen binnenkomen of uitgaan, het vervoeren of het voorhanden hebben geschiedt uit hoofde van de dienstuitoefening.

Overheidsfunctionarissen die op basis van de RWM niet in aanmerking komen voor de uitrusting met een wapen, ten aanzien waarvan de noodzaak daartoe vaststaat, hebben een redelijk belang bij het voorhanden hebben en kunnen zich tot de korpschef wenden met het verzoek om een verlof op grond van artikel 28 WWM. Gedacht kan worden aan leden van het Openbaar Ministerie of de zittende magistratuur die te maken hebben met een serieuze en concrete bedreiging van hun veiligheid, terwijl niet op andere wijze in hun veiligheid kan worden voorzien. Verlening van een verlof op deze grondslag is zo mogelijk van tijdelijke aard. Overleg met het ministerie is voorgeschreven.


Opmerkelijk

Vlucht winkeldief strandt tegen boom

Het liep voor een winkeldief  uit Arnhem slecht af. Op de vlucht voor de politie knalde hij met zijn auto net buiten de bebouwde kom van Zutphen tegen een boom. Dat betekende gelijk het einde van een korte achtervolging door Zutphen, waarbij de politie meerdere wagens inschakelde.

Lees meer...

Politiesites

Sponsors