Search, View and Navigation

Plaats op de weg

Let op: opent in een nieuw venster AfdrukkenE-mailadres

Reglement Verkeersregels en Verkeerstekens 1990

Oftewel: wie maakt gebruik van welk gedeelte van de weg.

Artikel 2: Plaats op de weg

  1. De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn mede van toepassing op bestuurders van een gehandicaptenvoertuig, indien zij van een voetpad of trottoir gebruik maken of van het ene naar het andere voetpad of trottoir oversteken.
  2. De regels van dit besluit betreffende voetgangers zijn voorts mede van toepassing op personen die te voet een motorfiets, bromfiets of fiets aan de hand meevoeren, alsmede op personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen.
  3. De regels van dit besluit betreffende wagens zijn mede van toepassing op door voetgangers gevormde kolonnes, optochten en uitvaartstoeten voor zover deze de rijbaan volgen.

Rollerskaters, skeelers enz. volgen dus de regels van voetganger. Het kinderfietsje (gezien de definitie is het een voertuig) wordt gezien als een stuk speelgoed en volgt daarom de regels van voetgangers.

Personen, die een fiets, bromfiets of motorfiets met de hand meevoeren blijven de regels van voetgangers volgen.

Artikel 2a.
De regels van dit besluit betreffende motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen zijn, in plaats van regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en passagiers van bromfietsen, mede van toepassing op brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen, tenzij anders is bepaald.

Artikel 2a RVV 1990 regelt dat de bepalingen van het besluit betreffende motorvoertuigen en bestuurders en passagiers van motorvoertuigen, in plaats van de regels betreffende bromfietsen, bromfietsers en passagiers van bromfietsers, mede van toepassing zijn op brommobielen en bestuurders en passagiers van brommobielen. Anders dan artikel 2b RVV 1990 bevat artikel 2a RVV 1990 daarbij niet de uitzondering dat die bepalingen mede van toepassing zijn, tenzij anders is bepaald.

Een voorbeeld waarin in het RVV 1990 voor brommobielen een andere bepaling geldt dan ten aanzien van motorvoertuigen is bijvoorbeeld artikel 22, aanhef en onder c, RVV 1990 dat bepaalt dat, voor zover niet ingevolge andere artikelen een lagere maximumsnelheid geldt, voor brommobielen een maximumsnelheid geldt van 45 km per uur.

Door artikel 2a RVV geldt de helmdraagplicht niet voor brommobielen, tenzij anders is bepaald. Omdat artikel 60, eerste lid, RVV 1990 niet anders bepaalde, gold de helmdraagplicht echter niet voor de bestuurder en passagiers van alle brommobielen. Gelet op het doel van de helmdraagplicht was het wenselijk deze ook te laten gelden voor e bestuurder en passagiers van brommobielen zonder gesloten carrosserie en zonder gordels. Het gewijzigde artikel 60 RVV 1990 voorziet hierin.

Artikel 2b.

De regels van dit besluit betreffende fietsen en fietsers zijn,in plaats van de regels betreffende bromfietsen en bromfietsers, mede van toepassing op snorfietsen en snorfietsers, tenzij anders bepaald.

Een voorbeeld van zo’n afwijkende bepaling is artikel 5, derde lid, RVV 1990 dat bepaalt dat snorfietsers slechts met uitgeschakelde motor gebruik mogen maken van het onverplichte fietspad en artikel 22, aanhef en onder d, RVV 1990 dat bepaalt dat, voor zover niet ingevolge andere artikelen een lagere maximumsnelheid geldt, voor snorfietsen een maximumsnelheid geldt van 25 km per uur.

Omdat voor de artikelen 2a en 2b RVV 1990 eenzelfde redenering geldt, is artikel 2a RVV 1990 door de toevoeging «tenzij anders is bepaald» in opzet en redactie gelijkvormig geworden aan artikel 2b RVV 1990. Ingevolge artikel 60 RVV 1990 geldt de helmdraagplicht voor bestuurders en passagiers van bromfietsen. Artikel 60, tweede lid, onderdelen d en e, zondert bepaalde categorieën brommobielen uit van de helmdraagplicht.

Blijkens de nota van toelichting bij het Besluit van 18 oktober 2001, houdende wijziging van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 en het Voertuigreglement (wijzigingen helmdraagplicht) (Stb. 519) was het uitdrukkelijk de bedoeling voor de bestuurder en passagiers van de overige categorieën brommobielen de helmdraagplicht in te voeren, omdat zij de bescherming missen die de bestuurder en passagiers van de in artikel 60, tweede lid, onderdelen d en e genoemde categorieën brommobielen wel hebben.

art. 3: Rechts houden

  1. Bestuurders zijn verplicht zoveel mogelijk rechts te houden.
  2. Fietsers mogen met zijn tweeën naast elkaar rijden. Dit geldt niet voor snorfietsers.

Het onnodig links rijden op de autosnelweg valt onder deze regel. Omdat er "zoveel mogelijk" staat laat de regel ruimte om te voorkomen dat er moet worden geslingerd om langs geparkeerd staande auto's te rijden.

art. 4: Voetgangers

  1. Voetgangers gebruiken het trottoir of het voetpad.
  2. Zij gebruiken het fietspad of het fiets/bromfietspad indien trottoir en voetpad ontbreken.
  3. Zij gebruiken de berm of de uiterste zijde van de rijbaan, indien ook een fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.
  4. In afwijking van het eerste en het tweede lid gebruiken personen die zich verplaatsen met behulp van voorwerpen, niet zijnde voertuigen, het fietspad, het fiets/bromfietspad, het trottoir of het voetpad. Zij gebruiken de rijbaan indien een fietspad, een fiets/bromfietspad, een trottoir of een voetpad ontbreekt.

Er is dus niet meer bepaald, dat zij buiten de bebouwde kom de uiterst linkerzijde van de rijbaan bewandelen. Dit wordt ter beoordeling van de voetganger zelf gehouden.

Met de toevoeging van het vierde lid aan artikel 4 RVV 1990 is geregeld dat skaters niet meer alleen op het voetpad hoeven te rijden.

art. 5: Fietsers

g12a

  1. Fietsers gebruiken het verplichte fietspad of het fiets/bromfietspad.
  2. Zij gebruiken de rijbaan indien een verplicht fietspad of een fiets/bromfietspad ontbreekt.
  3. Zij mogen het onverplichte fietspad gebruiken. Snorfietsers mogen het onverplichte fietspad slechts gebruiken met uitgeschakelde motor.
  4. Bestuurders van fietsen op meer dan twee wielen en fietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.
  5. Bestuurders vanaf 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet mogen het trottoir en het voetpad gebruiken indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten.
  6. Bestuurders jonger dan 16 jaar van snorfietsen als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, subonderdeel d, van de wet gebruiken het trottoir of het voetpad indien zij beschikken over een gehandicaptenparkeerkaart of een bij ministeriële regeling aangewezen kaart ten behoeve van het vervoer van gehandicapten.
  7. Het eerste lid, het tweede lid en het vierde lid gelden niet voor bestuurders als bedoeld in het zesde lid.

art. 6: Bromfietsers

  1. Bromfietsers gebruiken het fiets/bromfietspad.
  2. Zij gebruiken de rijbaan indien een fiets/bromfietspad ontbreekt.
  3. Bestuurders van bromfietsen op meer dan twee wielen en bromfietsen met aanhangwagen, die met inbegrip van de lading breder zijn dan 0,75 meter, mogen de rijbaan gebruiken.

art. 7: Gehandicaptenvoertuig

Bestuurders van een gehandicaptenvoertuig gebruiken

  • het trottoir,
  • het voetpad,
  • het fietspad,
  • het fiets/bromfietspad of
  • de rijbaan.

Bestuurders van gehandicaptenvoertuig zijn helemaal vrij in hun keuze van de plaats op de weg.

g09art 8: Ruiters

  1. Ruiters gebruiken het ruiterpad.
  2. Zij gebruiken de berm of de rijbaan indien een ruiterpad ontbreekt.

Zij gebruiken dus niet het trottoir of het fietspad.

art. 9: Colonnes

Voetgangers mogen de rijbaan gebruiken als zij een kolonne, een optocht of een uitvaartstoet vormen.

Bij het gebruik van de rijbaan volgen zij de regels van wagens. Een colonne kan ook een militaire colonne zijn. Een processie kan ook een optocht zijn.

art. 10: Andere bestuurders

  1. Andere bestuurders dan die genoemd in artikel 5 tot en met 8 gebruiken de rijbaan. Deze bestuurders en voetgangers die een aanhangwagen voortbewegen die kennelijk bestemd is om door een motorvoertuig te worden voortbewogen, mogen voor het parkeren van hun voertuig tevens andere weggedeelten gebruiken, behalve het trottoir, het voetpad, het fiets/bromfietspad en het ruiterpad.
  2. Andere bestuurders dan fietsers en bestuurders van een gehandicaptenvoertuig mogen fietsstroken met doorgetrokken strepen niet gebruiken.

De fietsstrook met doorgetrokken streep mag door anderen dus ook niet gebruikt worden om af te slaan. Het gebruik maken van de fietsstrook tijdens keren is niet "gebruiken". Het oversteken van een fietsstrook vanuit de inrit van een woning of om een parkeerstrook te bereiken is ook niet "gebruiken".

De wijziging van artikel 10, eerste lid, RVV 1990 maakt het mogelijk op te treden tegen op het trottoir, het voetpad, het fietspad, het fiets/bromfietspad of het ruiterpad geparkeerde aanhangwagens, die daar met de hand zijn geparkeerd.

Voorheen kon alleen tegen op de genoemde weggedeelten geparkeerde aanhangwagens worden opgetreden wanneer deze daar door bestuurders zijn geparkeerd. Uit een oogpunt van verkeersveiligheid is het wenselijk op te kunnen treden tegen fout geparkeerde aanhangwagens op die weggedeelten, ongeacht de wijze waarop die daar zijn geparkeerd.

Share/Save/Bookmark


Powered by Joomla!
Style © 2008 - 2013 Team Infopolitie voor Infopolitie.nl